Wie ben ik?

Mo met spiegel

Wie ik ben? Tja, mijn naam is het makkelijkst: Monique Verbruggen. Ben ik kunstenaar of ambachts vrouw?  Ik ben een allrounder, ik voel mij zowel kunstenaar, designer en ik werk ambachtelijk en vrij. Ik hoef niet precies te passen in een van de vakjes. Ik laat mijn hart spreken wanneer dat nodig is en gebruik mijn hoofd wanneer dat verstandig of passender is. Verder laat ik Marrit de Schiffart maar aan het woord. Zij schreef voor de Moanne een publicatie 2 jaar geleden. En dit is een deel daaruit:

” ‘Er is niets mooier dan ’s ochtends mijn atelier binnenkomen en het ochtendlicht door één van mijn glaswerken te zien schijnen. Het spel van licht wat dan ontstaat, de gekleurde schaduwen op de vloer, dat is magisch.’ It is dúdlik: glêskeunstner Monique Verbruggen hâldt fan glês.

As ik it foarportaal fan it atelier ynkom, rin ik fuort tsjin in skeind stik glês-yn-lead oan. Der stiet mei grutte letters ‘Kûbaard’ op. It blykt it úthingboerd fan It Mienskipshûs – it doarpshûs fan Kûbaard – te wêzen. Monique Verbruggen (1957) makke it yn opdracht fan Doarpsbelang. It wurk oerlibbe de swiere stoarm fan ein oktober net. De striptekening fan glês-yn-lead – tekene troch doarpsgenoat Caspar Oosterbaan, eigener fan stripwinkel Aha yn Ljouwert – is dwers troch midden en moat reparearre wurde. As ik fierder rin, kom ik telâne yn in ljocht atelier mei fiif (klopt dat?) kowerútsjes en in geweldich útsjoch oer de greiden.

Moai plakje hjir yn ‘keunstnersdoarp’ Kûbaard, wenje jo hjir al lang?
‘Ik woon nu zo’n 25 jaar in Kûbaard, waarvan vier jaar in dit pand. Toen de makelaar mij 25 jaar geleden een huisje aan de rand van Kûbaard liet zien, was ik op slag verliefd. Op het dorp, de straten en dat huisje. Het uitzicht was fenomenaal. De makelaar liet me overigens ook een huis zien in dat andere kunstenaarsdorp: Pingjum. Daar had ik echter geen goed gevoel bij. Overigens, beide dorpen groeiden pas veel later uit tot die zogenoemde kunstenaarsdorpen. Het ging mij gewoon om een dorp op het platteland, ik wilde de zon zien opkomen en de ganzen zien vliegen.’

Wêr wennen jo dêrfoar dan?
‘Ik ben opgegroeid in Amsterdam. Daar studeerde ik ook: Klassieke Dans aan de Theaterschool. Na mijn studie heb ik nog een poos in Amsterdam gewoond. In die tijd werkte ik als danser voor verschillende organisaties, zoals KLM, Joop van den Ende en de Zuidelijke Toneelgroep Globe. Daarna heb ik nog even in Leeuwarden gewoond en gewerkt. Ik gaf balletles aan de Blauwe Stoep – het latere Parnas – en richtte samen met vijf andere dansdocenten Fel Pastel op. Met Fel Pastel kwamen we op scholen door de hele provincie. Toen zag ik pas echt hoe mooi Fryslân was, met als gevolg dat het buitenleven nog meer trok. Ik heb daarna een paar jaar op een boot geleefd. Dat was een bevrijding, want ik voelde me niet thuis in de Friese hoofdstad. Ik verwachtte van Leeuwarden hetzelfde als van Amsterdam, miste bijvoorbeeld dat de bibliotheek niet elke dag open was. Nu ik in een dorp woon, heb ik daar geen last van. Als de verwachtingen anders zijn, onderga je het blijkbaar anders. Nu wil ik niet meer anders. Het platteland heeft mijn hart gestolen.’

En fan dûns nei glês, hoe kaam dat sa?
‘Als klein meisje hield ik al van tekenen. Toen ik ouder werd, tekende ik nog steeds. Ik maakte vaak van die Keith Haring-achtige poppetjes en ontwierp ook altijd flyers voor Fel Pastel. Een vriend had al eens gezegd dat ik er meer mee moest gaan doen. Toen ik op een gegeven moment geen werk als danser meer had las ik een interview met Broeder Acquino uit Wolvega. Hij gaf aan dat hij het ambacht van glazenier over wilde brengen op jongeren. Ik dacht: dit is wat voor mij. Glazenier was misschien een uitstervend ras, maar ik weet zeker dat glaskunst weer in de mode zou komen. En dus meldde ik me met al mijn tekeningen bij Broeder Akino. Hij zei: ‘Monique, God heeft de vrouw heel wat mooier geschapen dan dat jij ze tekent. Toch wil ik je als leerling aannemen.’ Ik regelde met het arbeidsbureau dat ik me om mocht scholen en zij betaalden de opleiding van 10 dagen.’

En? Kaam glêskeunst wer yn ‘e moade?
‘Absoluut, sterker nog, volgens mij was het omslagpunt toen ik begon. In eerste instantie leek het er niet op, want na de opleiding kon ik nergens aan de slag. En dus begon ik voor mezelf. Dat is nu ruim twintig jaar geleden. Ik mocht meteen op een soort van ambachtelijke markt op de Schrans in Leeuwarden staan. Toen voelde ik al dat glaskunst booming zou worden: de ene helft van de mensen vroeg of ik het glas-in-lood wilde kopen dat ze uit hun huis hadden gesloopt, maar de andere helft van de mensen vroeg of ik het weer terug wilde plaatsen. Vanaf dat moment heb ik eigenlijk altijd genoeg opdrachten gehad.’

Meitsje jo net leaver frij wurk?
‘Nee, ik vind beide leuk. Maar het is ook fijn om binnen een kader te werken. Ik geniet van de een-op-een-gesprekken met particulieren. Soms denk ik weleens dat ik meer een fascinatie voor mensen heb dan voor glas. Misschien is glas dan wel mijn taal. Met binnen een kader werken bedoel ik dat een ontwerp moet passen bij de opdrachtgever, maar vooral ook bij het interieur. Het moet niet zo zijn dat mensen zeggen: kijk dat raam nou eens. Wat dat betreft ben ik misschien meer een designer dan een kunstenaar. Al maak ik tegenwoordig meer kunstzinnig werk dan voorheen. Zo ga ik volgend jaar aan de slag met een kerk en een professorenwoning in Franeker. En de afgelopen jaren werkte ik bijvoorbeeld mee aan projecten voor de Slachtemarathon. Voor de editie van 2012 maakte ik samen met Lambert Fortuin het Spiegelpaleis. Dat waren twee halve auto’s van 3,5 bij 2,50 meter. De binnenkant van de auto’s was beplakt met spiegels. Als een wandelaar daarin keek, leek het net of de ‘greide’ eindeloos ver was. Maar zat je in het middenstuk op het bankje, dan zat je juist in je eigen cocon. Daarnaast ontwierp ik een caleidoscoop van glas-in-lood.”